Ik was vandaag op een seminarie over innovatie in de overheid dat een vreemde wending nam.
De namiddagsessie zou over sociale media gaan, maar plotseling zaten we te luisteren naar een promopraatje voor een product van Adobe. Ergerlijk. Zelfs ambtenaren hebben nog wel iets beters te doen.
Het adagium "practice what you preach" indachtig, had de organisatie de deelnemers aangemoedigd om over de toespraken te twitteren. Dat gebeurde. Zoek naar #inno200 en zie hoe de stemming langzaam verzuurt.
De organisatie las mee en besloot een halfuur voor het einde van de sessie de mensen van Adobe van het podium te halen. Gejuich op Twitter: "Lang leve de kracht van Twitter!" De val van Moebarak was er niets bij.
Interactiviteit is een mooi ding. Maar bij het verlaten van de zaal kon ik een paar bedenkingen niet onderdrukken. Iemand en plein public de mond snoeren - is dat niet domweg een uiting van ongemanierdheid? En is Twitter niet een wat wankele basis voor besluitvorming? Er zaten ten minste honderd mensen in de zaal, schat ik. Slechts een minderheid daarvan uitte zich via Twitter. Het is onwaarschijnlijk, maar je kunt niet uitsluiten dat anderen het in de zaal het wél goed vonden.
Twitterocratie is nog geen democratie.
vrijdag 27 mei 2011
vrijdag 20 mei 2011
Zappen verboden
Zoals ieder jaar was het een beproeving om de belastingbrief volledig en correct in te vullen.
Er komt rekenwerk bij kijken dat grote gevolgen kan hebben. Maar de bijgeleverde informatie blinkt niet altijd uit in begrijpelijkheid. Het leesplezier is beperkt te noemen. Maar zappen mag niet.
De overheid verwacht van de burger niet slechts een wiskundeknobbel maar ook een ijzeren, bijna bovenmenselijke discipline.
Er komt rekenwerk bij kijken dat grote gevolgen kan hebben. Maar de bijgeleverde informatie blinkt niet altijd uit in begrijpelijkheid. Het leesplezier is beperkt te noemen. Maar zappen mag niet.
De overheid verwacht van de burger niet slechts een wiskundeknobbel maar ook een ijzeren, bijna bovenmenselijke discipline.
Labels:
belastingen
vrijdag 6 mei 2011
Zeventig per uur
Iedereen is te koop, ook u en ik. Mijn prijs is: zeventig euro per uur. Dat ontdekte ik onlangs toen ik een offerte zag waarin mijn werkgever mijn diensten aanbood aan een argeloze klant.
Zeventig per uur, is dat veel? Echt goedkoop vind ik het niet, als ik een paar alternatieven in ogenschouw neem. Voor zeventig euro heb je onder meer de volgende mooie dingen:
Huur mij een godganse dag met mij en je bent 520 euro kwijt – het equivalent van een vaatwasser. Als ik mocht kiezen tussen mezelf en een vaatwasser, ik wist het wel!
Zeventig per uur, is dat veel? Echt goedkoop vind ik het niet, als ik een paar alternatieven in ogenschouw neem. Voor zeventig euro heb je onder meer de volgende mooie dingen:
- drie seizoenen van de briljante tv-reeks The Wire (totale kijkduur: ca. 37 uur);
- een diner-met-wijnen voor één persoon in een héél aardig restaurant;
- een retourtje Parijs, mits je tijdig boekt.
Huur mij een godganse dag met mij en je bent 520 euro kwijt – het equivalent van een vaatwasser. Als ik mocht kiezen tussen mezelf en een vaatwasser, ik wist het wel!
Labels:
werk
woensdag 4 mei 2011
Talloos veel miljoenen
Uit het voortreffelijke boek A Short History of Nearly Everything van Bill Bryson leerde ik vandaag dat:
Het gaat in beide gevallen om schattingen, dat mag duidelijk zijn. In de wereld van de mijt of bacterie let men niet op de kleintjes.
Nog nagruwelend van die kennis, zag ik in een avondlijke lichtstraal dit beeld: ontelbare stofdeeltjes die door mijn pas gestofzuigde huis zweven. Je mag er niet aan denken dat je dat allemaal inademt - en toch is het zo.
De strijd tegen de kleinste deeltjes is uitzichtloos en frustrerend. Winnen kun je niet, maar opgeven maakt het alleen maar erger.
- het gemiddelde hoofdkussen wordt bevolkt door ongeveer 40.000 mijten;
- een morzel grond (Vlaams of Waals, maakt niet uit) 10 miljard bacteriën bevat, waarvan we de meeste niet eens kennen.
Nog nagruwelend van die kennis, zag ik in een avondlijke lichtstraal dit beeld: ontelbare stofdeeltjes die door mijn pas gestofzuigde huis zweven. Je mag er niet aan denken dat je dat allemaal inademt - en toch is het zo.
De strijd tegen de kleinste deeltjes is uitzichtloos en frustrerend. Winnen kun je niet, maar opgeven maakt het alleen maar erger.
Labels:
thuis
dinsdag 19 april 2011
Kwantumkrenten
Ik heb de macrolens van mijn cameraatje zover als mogelijk opengedraaid en vervolgens de foto extra groot weergegeven, want anders zou je ze niet kunnen zien: de krenten in deze boterham. Ze zijn minder talrijk dan de werkende hersencellen in het brein van George W. Bush.
Misschien bevat dit misbaksel nog hoge concentraties gedroogde vruchten op een subatomair niveau - zogenaamde 'kwantumkrenten'. Het moet wel, want anders is de schandelijk hoge prijs van € 3,20 niet te verklaren.
Labels:
eten
vrijdag 8 april 2011
De laffe lente
Dit zag ik in februari op het balkon van mijn skihotel: een oogverblindende besneeuwde helling.
En zo zag het er deze week uit, door een webcam op hetzelfde balkon: een armetierig, snel slinkende witte strook in een modderige wei.
De intredende dooi heeft een einde gemaakt aan het sprookje. De wei is weer aan de koeien.
De lente kan ongewoon laf en onbarmhartig wreed zijn.
En zo zag het er deze week uit, door een webcam op hetzelfde balkon: een armetierig, snel slinkende witte strook in een modderige wei.
De intredende dooi heeft een einde gemaakt aan het sprookje. De wei is weer aan de koeien.
De lente kan ongewoon laf en onbarmhartig wreed zijn.
Labels:
vakantie
zondag 3 april 2011
Minder lezen door het internet?
"Over the past few years I’ve had an uncomfortable sense that someone, or something, has been tinkering with my brain, remapping the neural circuitry, reprogramming the memory."
Dat schrijft de Amerikaanse auteur Nicholas G. Carr in het artikel Is Google making us stupid? - What the internet is doing to our brain. Hij maakt zich vooral zorgen over zijn veranderende leesgedrag.
Carr schrijft dat hij het almaar moeilijker vindt om lange stukken tekst met volle aandacht te lezen. "My concentration often starts to drift after two or three pages. I get fidgety, lose the thread, begin looking for something else to do." Een turf als 'Oorlog en vrede' van Tolstoj lijkt inmiddels buiten zijn bereik te liggen.
De oorzaak zoekt Carr bij het internet, dat zoveel stimuli tegelijk aanbiedt, dat we als lezers voortdurend onze aandacht moeten verdelen en ten langen leste niets meer grondig lezen. Dat fragmentarische leesgedrag zou ook zich ook uitbreiden naar andere media, met name boeken.
Het verschijnsel van scannen op het internet komt me bekend voor. Maar lees ik ook andere boeken dan vroeger?
De omvang van het boek lijkt me in elk geval niet doorslaggevend. Ik lees nog altijd dikke boeken. Op mijn leeslijst van vorig jaar staat bijvoorbeeld 'De welwillenden' van Jonathan Littell - een turf van ongeveer 1000 pagina's.
Dat ik 19de-eeuws boeken als 'Oorlog en vrede' mijd, heeft een heel andere reden. Ik vind het vaak moeilijk om nog aansluiting te vinden bij de leefwereld van auteurs als Tolstoj, Dostojevski en Dickens. Ik heb bij oude boeken voortdurend het gevoel dat essentiële clues me ontgaan, eenvoudigweg omdat het me ontbreekt aan voorkennis over de context.
Die motivatie is nu weg. Ik acht mezelf voldoende opgevoed. Ik wil nu boeken lezen die me direct aanspreken omdat ze kennis brengen die aansluit bij mijn interesse, omdat de stijl me bevalt of omdat ik de thematiek herkenbaar vind. En ik heb geen trek om eerst een literaire studie te lezen, ten einde te weten waar het boek nu precies over gaat.
Ik kies dus voor instant gratification (al is instant misschien ook geen adequate kwalificatie voor een boek van 1000 pagina's). Maar daarvoor mag ik niet Larry Page en Sergey Brin met de vinger wijzen.
Ik voel veel voor de theorie van Nicholas G. Carr. Maar voorlopig komt ze nog niet helemaal overeen met mijn eigen leeservaringen.
Dat schrijft de Amerikaanse auteur Nicholas G. Carr in het artikel Is Google making us stupid? - What the internet is doing to our brain. Hij maakt zich vooral zorgen over zijn veranderende leesgedrag.
Fragmentarisch lezen
Carr schrijft dat hij het almaar moeilijker vindt om lange stukken tekst met volle aandacht te lezen. "My concentration often starts to drift after two or three pages. I get fidgety, lose the thread, begin looking for something else to do." Een turf als 'Oorlog en vrede' van Tolstoj lijkt inmiddels buiten zijn bereik te liggen.De oorzaak zoekt Carr bij het internet, dat zoveel stimuli tegelijk aanbiedt, dat we als lezers voortdurend onze aandacht moeten verdelen en ten langen leste niets meer grondig lezen. Dat fragmentarische leesgedrag zou ook zich ook uitbreiden naar andere media, met name boeken.
Het verschijnsel van scannen op het internet komt me bekend voor. Maar lees ik ook andere boeken dan vroeger?
Dunnere boeken?
Ik ben blij dat ik 'Oorlog en Vrede' twintig jaar geleden al heb gelezen. Ik weet niet of ik er nu nog doorheen zou komen. Ik zou er zelfs niet meer aan beginnen. Maar ik ben er nog niet van overtuigd dat dat de schuld is van het internet.De omvang van het boek lijkt me in elk geval niet doorslaggevend. Ik lees nog altijd dikke boeken. Op mijn leeslijst van vorig jaar staat bijvoorbeeld 'De welwillenden' van Jonathan Littell - een turf van ongeveer 1000 pagina's.
Dat ik 19de-eeuws boeken als 'Oorlog en vrede' mijd, heeft een heel andere reden. Ik vind het vaak moeilijk om nog aansluiting te vinden bij de leefwereld van auteurs als Tolstoj, Dostojevski en Dickens. Ik heb bij oude boeken voortdurend het gevoel dat essentiële clues me ontgaan, eenvoudigweg omdat het me ontbreekt aan voorkennis over de context.
Motivatie
Dat het me destijds wel is gelukt om veel klassieken te lezen, heeft te maken met motivatie. Ik zag het als een onderdeel van mijn culturele opvoeding. Het was iets wat ik aan mijn stand verplicht was.Die motivatie is nu weg. Ik acht mezelf voldoende opgevoed. Ik wil nu boeken lezen die me direct aanspreken omdat ze kennis brengen die aansluit bij mijn interesse, omdat de stijl me bevalt of omdat ik de thematiek herkenbaar vind. En ik heb geen trek om eerst een literaire studie te lezen, ten einde te weten waar het boek nu precies over gaat.
Ik kies dus voor instant gratification (al is instant misschien ook geen adequate kwalificatie voor een boek van 1000 pagina's). Maar daarvoor mag ik niet Larry Page en Sergey Brin met de vinger wijzen.
Ik voel veel voor de theorie van Nicholas G. Carr. Maar voorlopig komt ze nog niet helemaal overeen met mijn eigen leeservaringen.
Labels:
internet
Abonneren op:
Posts (Atom)

